Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CE JALOERSHEID.

heelende kruiden. ö Hemel! wat ben ik ongelukkig!

Zo zucht hy geduuriglyk, cn telt ieder mimrut; ieder uur fchynt hem eene treurige winternacht; en eindelyk giet eene öngun-

ftige Godheid hem het gift der jaloersheid in het hart. .

Hemel! welk eene gedachte! zo mompelt hy, en ziet woedend om zich heen: Dafne kon my ontrouw zyn ! Haatlyke geachte! doch meisjes zyn meisjes; en Dafne is fchoon;

wie ziet haar zonder verrukkinge? En is Dafois niet reeds lang

op haar verliefd ? Hy is. fchoon : wie wordt niet door

zyn gezang betoverd, wie fpeelt zo fraai op de fluit als hy? Zyne hut ftaat by Dafnes hut; een bekoorlyke lommer is de

fcheiding. • • 6 Verdwyn ! gaa wech ! haatlyke gedachte!

Gy graaft fteeds dieper in mynen boezem, cn vervolgt my dag

en nacht. Dikwyls toont hem de zwakke inbeelding

zyn Meisje, hoe zy vreesachtig in de fchaduw fluipt, daar Dafnis aan eene waterbron haar eti den Echo de fmarten zyner liefde toezingt. • Hy ziet haar finacbtend oog; byziet*

hoe haar boezem door zuchten zwelt, of, hy ziet zyn

Meisje onder het bogtig gewelf der lommer fluimeren, Daf-

nis fluipt in de lommer, ziet haar, treedt zachtjens

■nader, ongeftoord laat hy zyne betoverde oogen op elke

fehoonheid vallen, — hy bukt zich, kust haare hand, —

en zy ontwaakt niet; — hy kust haare wangen, hy

kust haare lippen, en zy ontwaakt niet! 6 lk ellendige!

. roept Alexis, woedende; maar welke haatlyke beelden

fchilder ik my zelf? Waarom ben ik zo vine.ingryk,

om my met dc grootfte pynigingen te kwellen? Waarom denk ik, ik ondunkbaare ! alleen aan het geene haare onfchuld beledigt ?

Reeds was het de zesde rampvolle dag, en zyne wonde nog

niet geheel geneezen. Hy omhelst zyne beweldaadigers; •

het geen opregte goedgunftigheid zeggen kan , bragten zy in *

om hem te rugge ~ te houden, maar te vergeefs; van de

Furiën voortgedreven, vliegt Hy van hun af, z© ras Hy kan; — 't was avond, en de volle maan fcheen, toen Hy van verre der

hut van Dafne zag, Ha! wech nu, wech nu! haatlyke

gedachte! daar woont zy, die my bemint, en heden nog*

heden nog ween ik van vreugde in haare armen. — Hy fprak, en fpoedde zich voort; maar „ van onder het loof dees wyn„ gaards, die na de hut leidt, zag hy zyn meisje heen gaan. „Zy is het." — Ha! Dafne ! gy zyt het! uwe tedere lengte* uwe zachte gang, uw fneeuwwit gewaad ! — Zy is het, Hemel ! Zy is het! Maar werwaarts gaat zy zo laat tegen den

nacht ? het is toch voor jonge meisjes gevaarlyk zich in

den nacht op het open veld te waagen; misfchien gaat zy wel

vol verlangen my op mynen wag te gemoet. Hy fprak *

maar een jongling vojgite Haar uit den wyngaart na; voegt.

Sluiten