Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER INDIAANEN.

447

ktn vergelykende altoos naauwkeurig vinden. Hy, die begeert te fpreeken, Haat op. Dc weinige zwygen volftrekt. Als hy gedaan heeft en weder nederzit, geeven zy hem vyf of zes minuuten tyd om te bedenken of hy ook iets , van 't geen. hy bedoeld had voor te draagen, mogt vergeeten, of 'ér iets by te voegen hebben; in welk geval hy weder mag opftaan,en het gebrekkige aanvullen. Een ander, al is het flegts in gemeenzaame gefprekken, in de reden te vallen, keuren zy hoogst onwelvoegelyk.

Deeze Wilden brengen de beleefdheid in den ommegang tot verregaande uiterften: dewyl dezelve hun niet toelaat dc waarheid van 't geen in hunne tegenwoordigheid beweerd is , tegen te fpreeken , of te lochenen. Hier door verrriyden zy, 'tis waar, het twistredenen; doch het wordt teffens bezwaarlyk hun gevoelen te kennen, of te weeten welk een indruk zeker voorftel op hun gemoed gemaakt hebbe. De Zendelingen, die hunne poogingen aanwenden, om deeze Indiaanen tot het Christendom te bekeeren, klaagen allen hier over, als een der grootfte bezwaaren in het werk hunner zendinge. De Indiaanen hooren met het uiterfle geduld de Waarheden van het Euangelie voor hun openleggen, zy geeven hunne gewoone tekens van toeftemming en goedkeuring; maar dit fluit in geenen deele overtuiging in; 't is enkele beleefdheid en pligtpleeging.

Wanneer iemand der Wilden in onze Steden komt, is ons Volk gereed om zich rondsom dien Vreemdeling te fchaaren , hem aan te kyken , en te verhinderen als hy verlangt alleen te zyp : dit houden zy voor eene groote onbefchaafdheid , en voor het uitwerkzel van gebrek aan opvoeding. „ Wy hebben," zeggen zy" zo veel nieuws„ gierigheid als gy, en als gy in onze Steden komt, ver„ langen wy u te zien , maar om dit te doen verbergen „ wy ons agter boschjes , waar gy voorby moet gaan, ,, en dringen ons nimmer in uw gszelfchap in."

EEN FRAGMENT. — EENE LES VOOR DE VADRRS.

(Naar het Fransch.")

TTTc!, myn Vriend! gy zyt nu Vader"! welk een geluk ^ wagt u! Maar van welke gevaaren vindt gy u omringd ! Ik moet u een geval myns lecvens verhaalen, 't geen ik

IV. DEEL. MENGELW. NO. 10. H li nOOÏt

Sluiten