is toegevoegd aan uw favorieten.

Henriette van Grandprè.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESTIENDE BRIEF. 93

De Vrouw verhaalde, onder het rijden, aan Dalmont, die zich bij haar in de Koets hadt geplaatst, dat Hurt haar, met behulp van den bedelaar, geweldig uit een huis vervoerd hadt, waar in zij, zedert eenigen tijd haar verblijf hieldt, en in het welk hij, tegen het vallen van den avond, door eene achterdeur , die aan een Tuin uitkwam, en bijkans nimmer gellooten was, was gedrongen; hebbende de twee andere Vrouwen, waar van de eene lang zijne Huishoudfter was geweest , fchrikkelijk mishandeld. Dat deze Huishoudfter haar noch eens uit de handen van Hurt verlost hadt , toen hij haar, eenigen tijd geleden, met geweld van den weg hadt opgelicht, en dat zij toen met haar gevlucht was!

Gij kimt begrijpen , mijne lieve Zuster! dat de aankomst van Dalmont met deeze Vrouw, ons geheel huis in beweeging bragt; te meer daar de nacht reeds verre gevorderd was. Doch, toen hij mij, in weinige woorden zeide, hoe hij die Dame gevonden hadt, waar van mij de Knecht, die om de Koets gekoomeu was, reeds eenig verflag gedaan hadt, verheugde ik mij, dat de Hemel mijn waarden Echtgenoot als een middel gebruikt hadt , om het godloos voorneemen van den fnoden Hurt te verijdelen. De overige Hecren, die mijn Man vergezeld hadden , reeden allen naar hunne huizen, toen zij de Koets , tot aan onze wooning begeleid hadden.

Zoo draa de Dame mij aan het portier der Koets

zag,