Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEGENTIENDE BRIEF. 233

caat nog hier was , zoude ik hem zeker bedanken voor zijn gefchrevcn briefjen aan die zottin, ik wensch dat zij mijn raad mag volgen, en zich in een Klooster verbergen tegen de wreedheid, die zij zegt dat de mannen op haar uitöeffenen.

Nu, mijne waardfte! leef gelukkig; lees deezen onze bedroefde Vriendinnen, als gij het nodig oordeelt, eens voor , misfehien beurt hij hen , voor eenige oogenblikken, op. Groet hen allen van mij, en geloof mij fteeds tc zijn

Uwe Karel Prengel,

TWINTIGSTE BRIEF,

Veaucoeur aan Henriette. Wel Geeoorene Jonge.vrouwe !

Cjrij zijt mij ontvlucht, en daar ik vernoomen heb, dat uw hart, zints een geruimen tijd, is weggefchonken aan een achtingwaardig Man, den jongen Heer Beauvoifin , weleer mijn Akademie vriend, ben ik verplicht, U vergeving te vragen voor de moeijelijkheden, daar mijne aanzoeken U mede belast hebben, en ik vertrouw, dat uwe edelmoedigheid gereedclijk

de

Sluiten