Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thomfon's Jaargetyden, 223

„ voorraad, en vorderen de geringe gift,door de Voorzienigheid „ hen aangeweezen. Meen het roodborstje, aan de huisgoden „ toegehetligd, dat wyslyk den betrokken hemel waarneemt,laat „ zyne beevende makk.-rs in de barre velden en doornige bos„ fchen, en legt, min fchuuw, by de menfehen zyn jaarlyks be„ zoek af. Nog vreesachtig, klopt hy eerst aan het venfter, be„ geeft zich, Itouter geworden, naar den warmen hiart, en be-

fchouwt dan,'over den grond huppelende, van ter zyde de

lagchende huisgenooten. en pikt en fchrikt en verwondert zich „ daar te weezen, tot hyeindelyk, geraeenzaamer geworden,op j, zyne tedere voeten huppelt, waar hem de tafelkruimen lok„ ken." :

Elk leezer, die het oorfpronglyke verftaat, zal uit de opgegeevene proeven ontdekken, dat de fchoonheden daar van, zelfs in het beste gedeelte deezer Vertaaling,Hechts flaauwte vinden zyn; ja, dat op verfcheidene plaatzen. de Vertaaler niet vry te fpreeken is Van flordighcid en gebrek aan fmaak, ten ware men veronderfieiie dat hy der Engelfche taaie niet genoegzaam kundig zy, om den zin van zynen Schryver te verdaan.

Het werk is verrykt met Plaaten en Vignettes, voor ieder Taargetyde, geteekend en in 't koper gebragt door R. Vinkeles, en, Wat de gravure betreft, keurig uitgevoerd ; doch de Heer L dele die tot een voorwerp van beöordeelinge, dair hy, gantsch ongerymd, dezelven opgeeft als ter betrachtiging te kunnen drekken yan zekere aanmerking van den Heere gesner, met betrekking tot den Dichter thomson: t. w. „ „ dat hy {.Gesnerp by dee-

„ zen grooten Meester, (Thomfon naamlyk,) veele tafereelen „ j, gevonden heeft, dieuit de beste werken der beroemdltefchil„ „ ders ontleend fchynen, en die de Kunftenaar geheel op zyn „ „ doek zou kunnen overbrengen."" „ Dat dit geen groo:fpraak „ is," zegt onze Criticus, „ meenen wy dat by het vergdyken „ der kunstarbeid van de Heeren thomson en vinkells, in „ deeze uitgaave genoegzaam wordt bevestigd."

De plaat voor de Lente is verre weg de beste, ten opzichte der teekeuing; maar de beelden van den Dichter en vau zyne Amanda Zyn veel te groot, in evenredigheid tot het landfchap; en dezelven te verbeelden in de kleedy der tegenwoordige mode, is daar en boven eene grove fchending van die eenvouwigheid, welke aan zulk een landtooneel eene a: dere waarde beh >ort te geeven/, behalven dat, na verloop van weinige ;aaren, wanneer de fmaak van kleeden geheel kan veranderd zyn,deeze Heer en Dame even zpo ouderwetsch zullen voorkoomen, als de afbeeldingen in de tyteiprent voor een oud tooneelduk.

De beelden in de plaat, voor den Zomer gevoegd, geeven een zeer laag denkbeeld van het geene de Dichter meent te befchryven. Die, van de vrouw met de kinderen, en van den drinkenden man,

S op

Sluiten