is toegevoegd aan uw favorieten.

De recensent, of Bydragen tot de letterkundige geschiedenis van onzen tyd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

430 van Hemert's Tweede Brief azn Bonnet;

dat God ons immer eenig voor ons volftrekt onbegryplyk veerftei doen kan, dat is, het geloof aan eene waare volftrekte verborgenheid van ons afvorderen; om dat eene zoodanige veronderftelling onbeftaanbaar zyn zoude met de eigenfchappen der Godheid, met de redelyke gefteldheid des menfchen, met den wil van God, zoo als die uitdruklyk in zyn woord verklaard is, en met de natuur en het einde eener godlyke openbaaring. Met opzicht tot de vooronderftelling, datrf<? openbaaring van God door de •natuur op zich zelf genoegzaam, maar alleen door de dooiende bybegrippen en vooroordeelen der menfchen, ongenoegfaam geworden is om hen tot dien trap van gelukzaligheid op te voe» ren, voor welken zy vatbaar zyn; wy zullen in geen onderzoek hiervan niet intreeden,om dat dezelve bloot vooronderftellend en niet noodzaaklyk verknogt is aan de vraag, die wy onmidlyk voor ons hebben.

De Heer v. H. had beweerd ,dat het loogcaenen van deeze vooronderftelling het zelfde was als te zeggen : Gods plan deugt niet. Dit befluit hadt de Hoogleeraar b o n n e t op eene zeer zonderlinge wyze in een verkeerd daglicht gefield, tevens verklaarende, dat hy het niet, dan met aandoening leezen en overdenken kon. De uitdrukking is zeker ftout, en mooglyk liever al te itellig; doch de fchryver heeft, naar or.ze gedachten, echter volledig deen zien, dat zyn denkbeeld van het godlyk ontwerp , alfchoon regtflreeks ftrydig met de gevoelens der Calvinisten, niets ontëe» rends voor de Godheid influit, niets dan het geene derzelver eigenfchappen in het beminlykst en eerbiedwaardigst gezichtspunkt ftelt. Volgends hem toch is de gelukzaligheid der fchepfelen, vooral der redelyken, het oogmerk, welk de Schepper , met de voortbrenging van dit heelal, bedoelt; willende „dat«//<? menfchen, dat is, elk in zyne maate, elk op zynen tyd, elk op zyne wyze, zalig zullen worden, en tot kennis van dis waarheden koo» men, welken zy ter verkryging van dat geluk, waarvoor zy be. reekend zyn , weeten moeten."

De Heer v. H. haalt uit zeker gefchrift van den Heer bonmet de volgende plaats aan: de mensch is, door het zedelyk bederf, in zyne befchouwingen, neigingen en bedryven, redeloos en dif.RI.yk geworden, en geeft van zulk een redeloos beftaan de duidlykfte blyken, enz. (*}, en beweert, dat de leer in gefchil aldaar gantsch anders voorgefteld is geworden, dan zulks in den brief gefchiedt,opwelken het gefchrift voor handen ten antwoord ftrekt: ja zelf dat de Hoogleeraar of van gevoelen veranderd, of wel onbeftaanbaar met zich zeiven is. Hy merkt tevens aan, dat de Heer

bon-

(♦) Zie Voorbereidfeltn ter verklaaring en eene /ihetswyze opheldering van Salomons Prediker, i. fluit, blz. 133- Uir, 1781,