Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Handelingen der Apofteien. Hoofdft. XXX. 149

drank, om met des te grooter verootmoediging en iever God om vergifnis zyner groote fchulden aanteroepen: welk gebed nu zyne voornaamfte bezigheid uitmaakte.

Nu bevond zich te Damaskus een man van Joodfchen afkomft, die, niettegenftaande hy veelligt reeds onder die geenen, welke op het Pinxterfeeft te Jerufalem bekeerd werden , de leer van den Heere Jefus had aangenomen, wegens zyne naauwkeurige waarneeming van de voorfchriften der wet, zelfs by de Jooden aldaar, in algemeene achting was. Denzelven werd in een godlyk gezigt bevel gegeeven (eO, om terftond zonder uitftel opteftaan en naar de ftraat ,de rechte genaamd, te gaan, in het huis van zekeren Judas, om naar eenen man , met naam Saulus, van Tarfus geboortig, te vraagen. Deeze was thans in een ernftig gebed; nadat hem in een godlyk gezigt een man verfcheenen was, die Ananias heette, en welken hy aan de geftalte en kleeding, die hem getoond zyn, terftond weder kennen zou, als hy hem bezocht, en tot wederherftelling van zyn gezigt hem de handen opleide (ƒ). Een zodaanig bevel kwam Ananias des

te

O) Hand. IX: 11. enz.

(ƒ) Dit gezigt, aan Saulus wedervaaren , is naar allen fchyn op den derden dag zyner blindheid gebeurd: en hetzelve diende daartoe , om hem niet alleen in zyne droefheid opterechten; maar hem ook tot een bewys te verftrekken, dat al dat geen, 't welk op den weg naar Damaskus van hem gezien en gehoord was, zyne volkomene richtigheid had. Want, wyl Ananias zulks nog van geenen menfch had kunnen ervaaren ; zo moeft hy het uit eene onmiddelyke godlyke openbaaring weeten. In dit gezigt gefchiedde ook biaiten twyfel de nadere ontdekking de°r oogmerken van den Heere Jefus by zyne eerfte verfchyning, welke Paulus Hand. XXVI: 16—18. met dezelve onmiddelyk verbindt; offchoonzy eenige dagen K 3 laa-

Sluiten