Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN ROMANC ES. 149

„ Maar 't zij mijn leed zijn gruwzaamheid

Ter mijner gunst verbad; Of 't noodlot nog niet lang genoeg

Mijn ziel gefolterd had;

„ Ik zag mij aan mijn ijzren boei

In dezen kerkermuur 't Wanhoopig leven fteeds gefpaard,

Tot dit verlosfingsuur."

De Ridder in de ziel ontzet,

Blijft peinzende op 't verhaal: —

En eindlijk, aan zich-zelv' ontrukt, Barst uit in deze taal;

« Zoo zijt gij de eedle Belizant',

De zuster van Pepijn? Des Griekfchen Keizers Gemalin?

Gij kunt geene andere zijn!

«' Vaak hoorde ik aan uws broeders Hof

Een deel van al uw leed, Waar van mij 't denkbeeld reis aan reis

De tranen ftroomen deed.

K 3 " Maar

Sluiten