Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden den 1 May 1748. 525

Gebed gefterkt word, en dan zal van zeiven blyken, dat het bidden voor onze zielen zeer heilzaam is. Men lette

(Y) Wat het inhebbe, als onze ziel kan gezegd worden ergens fterkte ofte kracht door te ontvangen; en

(II) op den aart van het Gebed: om te zien; of het zelve in ftaat is om aan onze ziele groote kracht te geeven,

(I) (jTy weet (Geliefden!) dat de Allerhoogfte den mensch begenadigd heeft met eene reedelyke ziele, en aan die ziele verfcheidene vermogens (als oordeel, wil, geheugen, hartstochten enz.) heeft gefchonken. Die vermogens zyn niet allen van eeven hoogen en eedelen rang. Het geheugen, de verbeeldingskracht, de denkbeelden, die door onze zintuigen ons aangebragt worden enz. zyn géénfints van die hoogheid en adeldom, als ons oordeel ofte onze reeden. De herstochten, en begeerten, of de afkeer uit het eerfte aanbrengen van onze zintuigen geboren, zyn op verre naa niet gelyk te ftellen met onzen wil, op het duidelyk inzien van ons oordeel gegrond. Het laatfte, (ons oordeel en onze wil) maakt ons eigentlyk tot reedelyke fchepfelen en verheft ons dier wyze in Adeldom boven de dieren (*).

Eeven

(*) God had daarom van den beginne, den mensch in regtheid lcheppende, zyne vermogens in eene volkoomenc orde gezet, zoo dat die van minderen rang ondergefchilct en als dienstbaar waren aan die van eedeleren aart: opdat de mensch de groote voordeden zyner reedelykheid zou genieten, en de vermogens van zyn lighaam , het welk aan zyne ziele onderworpen was, tot dat zelve groote einde, als vermogens van het lighaam eens reedelyken menfchen, zou hefteeden,

Sluiten