Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3 )

No. 2.

DE GODSDIENST.

■^^TAs onze Godsdienst in haar zuiverheid bewaard ;

Was 't Christendom niet aan zyn'' Oorfprong zo ontaart; Had dc arme Menfch, te trotfeh op zyn bedorven reden, Door beerfchzucht aangeftookt, niet veel fpitsvindigheden In 't onvervalfchte deeg van 't geestlyk brood gekneed; Had zyn verwilderd brein geen dwaalhigen gefineed, Gefchikt om 't heilloos zaad van ongeloof te zaaijen; Zocht de een de Godheid niet met kinderfpel te paaijen, Terwyl weêrde andre meent dat hy iets groots verricht, Als hy zyn voorhoofd plooit, en 't rimplend aangezicht, Met veel verachting wendt naar zjn Gcloofsgcnooten; Was 't Hoofd der Kerk., Gods Zoon, niet uit dc Kerk geftooten; Had elk de Waarheid in zachtmoedigheid betracht; Zich voor gewetensdwang , dat fchriklyk kwaad, gewacht, En 't voorfchrift Hechts gevolgd, door Jefus ons gegeeven, Dan zou het Christendom op aard' recht hemelfcb lceveu ; Elk woonde aan eigen haart dan vrplyk en gerust; Dan wierd Gerechtigheid door Liefde en Vreê gekujt;

A ;

De

Sluiten