is toegevoegd aan uw favorieten.

Stigtelijke mengelpoëzij.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGEL P O È* Z IJ. 019

Den toegang tot den troon van zijn Genade niet? Of ziet gij alle uw tranen, al uw fmeeken Zo onrein, zo melaatfch, dat gij mismoedig' vreelt, Dat zig Gods Heiligheid zal om uw fchreien wreeken? Of is uw hart bedeesd,

Dat ge, als voorheen, tot dwaasheid weer zult keeren, En dat uw misbedrijf's lands zonden zal vermeêren? Ja, dat ons Nederland,

Zo lang getugtigd en gewaarfchuwd door Gods hand,

Zal door zijn zondenlaft bezwijken,

En 't Euangelielicht, met Jefus, ons ontwijken?

Ja, zegtge, dit, dit is het dat mij treft,

Waar van 't vooruitzigt mij doet beven:

Mijn hoop wordt, als een riet, gedreven,

Als bange vrees het loon van 't zondigen befeft.

Mijn boezem is een hol, daar ftruis en draken zwieren,

Door giftig addrenfpog befmet;

En daar, waar men zijn voeten zet,

Een zonnevlugtend rot van krijfchende uilen gieren,]

De Hoogmoed heerfcht er op den troon;

Die torft de aan God ontwrongen kroon;

Men ziet 'er 't Eigen Ik den trotfchen fcepter zwaaien —

En zal men rijpe vrugt van zulk een akker maaien ?

Of fpruit er welig graan uit de onbeploegde klont

T * Van