is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedachten van Jacobus Hinlópen, predikant te Utrecht, over eenige plaatzen en zaken, in de Heilige Schriften voorkomende

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 253 )

nemen; was het huisgezin te klein voor één lam, het moest den naasten nabuur er by vragen, en rekening maken, dat zy het konden opeten, opdat er ook niets van overig bleve tot den morgen, hetwelk dan toch verbrand moest worden. (0) Zoo kweekten zy de onderlinge vriendfchap, en moesten alle klagten tegen elkander, voor de Godsdienstoefening, afleggen. Offerde iemand een dankoffer, ten dage der offerande, en des anderen daags, moest het gegeten worden, en, wat overbleef tot den derden dag, moest met vuur verbrand worden; wierd er, op den derden dag, wat van gegeten, zoo ontheiligde de offeraar het heilige des Heeren, en het was niet aangenaam voor hem: (£) hy moest dan, door geene gierigheid, zich laten verltrikkcn, maar een genoegzaam getal van gasten, ook uit de armen, noodigen, opdat, in twee dagen, het offer geheel verteerd ware. Dat dit de reden van deze wet ware, fchynen wy te moeten befluiten, uit hetgene er volgt: als gy ook den oogst uwes lands zult inoogfren, zult gy den hoek uwes velds , niet gantfchclyk afoogften, en, dat van uwen oogst op tefamelenis, opfamelen; maar, den armen en vreemdeling overlaten. Was zyne dank-oflerande niet eene foort van gelofte, maar een lofoffer, om God, voor eenige weldaad, te verheerlyken, dan moest het, ten dage, dat het geofFerd wierd, ook genuttigd

(a) Exod. xn: 3, 4, 10. (6) Lev. xix: 5—8.