Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS. 149

„ 'er op fterven, dat kan ik! Laat heeft mij deze „ hoogst godloze Leeriiar, zoo als ik geloof, de „ tegenwoordige wereld voorgeftcld. Laat heeft „ mijn geloof, dat van 11 onderwezen is geworden, ,, dezen Leeriiar ontvangen. In dezen, niet ver„ hoorden naam, heb ik, op zoodanige wijze, in „ u geloofd, ben ik door u wedergeboren, en de „ uwe geworden. — Oordeel mij bier in , of ik ,, daar door eene overtreding begaan heb, dat ik „ uwen Zoon, de Wet, Profeeten en Apostelen, ,, te veel geloof!" Voorts ontvouwt hij uitvoerig, in het overige van dit Bock, dat christus de waare Zoon van God is. Het zevende Boek van dit werk noemt de Schrijver zelf, het gewigtigfte. Hij bewijst daar in de gemelde Leerftelling uit de Euangelifche Gefchiedboeken; terwijl hij de moeilijkheid erkent, om hier den middenweg te houden , tusfchen de Sabellianen en Arianen; maar tevens aanmerkt, dat dit de zegepraal der Kerk is, dat de ééne dezer partijen de andere wederlegt. In hel achtfte Boek gaat hilarius eene hoofdtcgenwerping der Arianen te keer, en toont, dat deze leere zeei wel beftaanbaar is met de éénheid van God. De Arianen verklaarden de woorden: Ik en de Vadet zijn één, van de overëenftemming van den wil, er helderden deze verklaring onder anderen op uit die plaatzen, welke eene éénheid der Gelovigen mei christus en met malkanderen leeren. Onze Schrijver ondertusfehen wil dit laatfte niet alleen van dt eenheid van wil en zin, maar ook van eene daadlijke eenheid der Gelovigen, door de vvedergeboorti K 3 ver

III

boek VIII

Hoofdft. na C. G. Jaar 363. tot 476.

Sluiten