Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV

boek I

Afdeel. IV Hoofdft. na C. G. Jaar 622. tot . 814.

1

i

( j 1 1

I l i t 1 4 1

1

v \ 1

23 KERKELIJKE

gere Geestelijken; de zesde voor de Abten, en de laatde voor de Geestelijken in de ftad. Over tafel zwijgt alles, en hoort naar eene voorlezing uit den Bijbel. De /pij'ze en drank worden, naar de onderfcheidene tijden, naauwkeurig verdeeld. Wie uéh van wijn onthoudt, zal bier krijgen, en dewijl vij, zegt chrodegang , onze Geestelijkheid niet se wegen kunnen, om geheel geen wijn te drinken , villen wij ten minften daar in overeenkomen, dat Ie dronkenfchap onder haar niet heerscht. Geen kanunnik is van den arbeid der keuken vrij, zij osfen daar eikanderen weekelijks in af, uitgezonlerd de Aartsdiaken, en fommigc anderen, die bezigheden van grooter nut hebben. Ook wordt het ién en ander verordend over het bezorgen der dranken, de noodige kleederen, enz. der Geestelij;en, als ook over de bijzondere maaltijd, (refecio, verkwikking,) die hun op de hooge Feesten ;al gegeven worden. Nadien de gemeenfcaap van ;oederen niet meer zoo volkomen kan plaats hebien, als in de Apostolifche Kerk, moet ten minden :t, dat daar naar gelijkt, ingevoerd worden. Geestlijken, die van de goederen der Kerk leven wilsn, moeten hun eigen goed, aan God en hunne 'Cerk, bij gefchrifte, fchenken, doch elk lid van et gezelfchap zal het genot van zijne eigene heining tot zijne dood toe behouden, en ook regt lebben, om daar van gefchenken aan de armen of an het gezelfchap te doen, maar niets daar van mogen erkoopen, of op eenige andere wijze verminderen. Vanneer iemand aan een Priester voor het vieren

van

Sluiten