Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kaar CEYLON. m

nc vriendelyken Brief, naar Maagdenburg, by den toenmaaligen AbtSteinmetz, te gaan, aan wien hy my een Brief van aanbevceling gaf; hy raadc my ook den voorensgenoernden HeerScKUbekï en andere goede Heeren aan te fpreeken; maar ik konde hier toe niet bcftoyten: myn gemoed hield my te rug, en iteide my vericheyde zwaarigheeden voor; ik konde het dus hierover met my zelve niet eens wordem lk was dag en nagt vol zorgen, die my byna 't flaapen beletteden , en ik droomde zes navolgende aagten verfcheide droomen, en onder anderen de volgende omftandigheeden: dat ik aan den Oever van een groot water ftond te hengelen, om vifch te vangen; dat niet lang daar na een Vifch aanbeet, dog dat dezelve zoo haaft ik hem optrok veranderde in een Menfeh; waar over ik.my ongemeen verheugde. Ik floeg geen agt op deeze droom , maar vertelde dien by toeval aan iemand die my daar van deeze uitlegging gaf, namclyk dat ik over het water zoude Reyzen, en daar door gelukkig worden zoude. '

De beftemde dag kwam eyndelyk, en ik reysde met de Vragtwagen naar Hamburg, alwaar ik gezond aankwam. Negen dagen moeft ik my hier ophouden, eer ik met een Vaartuyg myn Reys kon vervorderen; op den zei ven dag van myn vertrek, dog eenige Uuren vroeger, kwam een jong Bedelaar van dertien Jaaren by my, hy wasuyt Saxen, en zeyde dat hy Ouderloos was, en niet wift wat hy aanvangen zoude; ik wierd tot medelyden bewoogen, kleede hem, en maakte een overeenkom ft met den Schipper, en nam hem meede naar AmJlerdam* -

vs~-?ls De-

Sluiten