Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. S cn 6,

140 Nederlandsche Kleed der XIII en

gel op de hand heeft en, als ter jagt gereed, groote handfchocnen draagt; doet, door zynen blooten Hals en, van boven, geflooten Kleed, niet onduidlyk zien, dat men, indien tyd, de Rokken, als nu onze Hembden , over het hoofd zal hebben aangetrokken, f» — De, lugtig omgeflaagen, Hoofddoek der Vrouwe of Jongvrouwe en de gantfche vorm haarer Kleedinge, heeft een min opgefchikt voorkoomen: doch het wierdt ftaatiger, wanneer men 'er Arm-flippen aan deedt, als op Figuur 2. Gelyk, ondertusfchen, deeze twee aanzienlyke, zo hadden ook geringere Luiden geenen Mantel. Zy droegen», doorgaans , kortere Klcederen en; dat van zelve fpreekt; van mindere ftolTe. (l>) — Laat ons nu het Blaadje onzer Teekeningen eens omkeeren! • Aleide. En, misfchien, tot eene volgende eeuw overftappen ?

Volkhart. Juist zo, en dus tot de veertiende.

Aleide. De Hoed van dit Figuurtjen heeft, waarlyk, wel iets van de hcdendaagfche!

Volkhart. Het laatstgemelde Vrouwen Beeldjen hadt 'er, over 't geheel, ook wel iets van. Niets is nieuw onder de Zon, en de Modes maaken ook een' Cirkel. Gy zult, onder de vroegfte Kleederen van beide de Sexen, veel van het hedendaagfche vinden, waar in men voor't overige, het Grieksch en Romeinsch

cd) Zie ook strütt, le., Tom. 1, pl. 15. Vergel. vjIiTbem, Spieg. Hift. bl. 336. (b) Vergel. villaret, Hift. de Fr., Tom. VII,

paig. 67 ,,68, 416.

Sluiten