Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*»S de FUfiT

Maar de arbeid grijpt de fpaa: zij regt den wijngaêrt op; En doet de druiven weelig groeijen. Wat verder biedt het zonnelicht Onmeetbre vlaktens aan 't gezicht, En maakt die vrugtbaar door zijn koesterende draaien ; . Het werkzaam menschdom zaait er vlas, Of koorn, of rogge, of tarw, of ander plant-gewas, Om uit zijn erfdeel kleed en onderhóud te haaien. Wij kunnen nergens de oogen flaan, Of iedre Hemelgunst wijst ons den arbeid aan, En roept den Heer der aard tot nutte bezighedeh.

De laage klei - grond, hoe verachtelijk hij zij, Is niet gevormd, opdat we ondankbaar dien betreden, Maar, opdat ons een muur eu dak voor ftorm bevrij. De bosfchen, bergen, velden, landen, 't keerde alles tot den baijert weêr, Indien de mensch, met kloeke handen, Niet medewerkte aan 't werk van zijnen Opperheer. Elk vindt zijn aandeel in het nut beftuur der dingen: Êik wö2«i ademt hier voor 't algemeen beftaan i

Sluiten