Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pauw, Verband»!, over de Grieken, Eerfte Deel. 35

- door den fkat als zodaanig erkend wierd; dit koomt volkoa" men overeen met het hedendaagfche papieren geld."

De Atheenfche kooplieden waren aan zeer veele wétten ver* bonden, welke dienden om de handeldryvende belangen van het gemeenebest te befchermen en te verzekeren. Geen burger moge zyn eigendom vertrouwen aan boord van een fchip, het welk by deszelfs terugkoomst niet wederom te Athene ontlaaden zoude worden ; ook mogt geen hunner fchepen eene lading koorn gaan inneemen, die niet voor de haven dezer ftad beftemd was. Niets ondertusfehen, bevoordeelde den handel van Athene meer, dart de verwoesting van Tyrus en Corinthe, welke het gemeenebest op eene zeer eigenaartige wyze zig ten nutte maakte, door dè verarmde en in den grond geholpene vlugtelingen te ontvangen, «n hen neder te zetten op het eiland Delos, het welk, uit hoofde der godsdienftige feesten, welke aldaar gevierd wierden, eene plaats van algemeene zaamenkoomst was, en door dit middel eerlang eene zeer aanzienlyke markt en haven wierd. — Dé Grieken, in de daad, verzuimden geene gelegenheid, om de verdichtfels van het bygeloof dienstbaar te maaken aan hunne ' belangen als handelaars, en de amphyecionifche byeenkoomften , 20 wel als de openlyke godsdienftige fpelen, gingen altoos vergezeld van een zeker foort van jaarmarkten. Deze wierden, volgens het bericht des fchryvers, zeer fterk bezogt; terwyl da meeste kooplieden op dezelve, reizigers waren, die zig van elders derwaards heen begaven. Zelf in Athene vond men geene Winkels in byzondere huizen; maar voor alle onderfcheidena ïborten Van koopwaren was eene afzonderlyke openbaare plaats beftemd, alwaar dezelve te koop gelegd wierden in hutten of tenten, welke zeer ligt van de eene plaats naar de andere vervoerd konden worden; waardoor het fcheen dat binnen deze ftad eene fteedsduurende en onafgebrokene jaarmarkt onderhoudei Wierd.

Eenige volkerèn van Griekenland, zegt de Heer de pauw, hoogstingenoomen met het denkbeeld van hunnen adeldom, gelyk de Thesfaliers, of van hunne grootheid , gelyk de Spartaanen • waren verwaand en onkundig genoeg om met verachting op dezen handel, die alleen in hutten en tenten gedreeven wierd, neder te zien; dog de beftierers van het Atheensch gemeenebest Waren Wys genoeg, om denzelven door eene uitdruklyke wet té befchermen , by welke eene Itrenge ftraf wierd vastgefteld Vóór den geenen, die deswégens eenig verwyt mogt doen 1 of de géringfte minachting betoonen, aan eenen Atheenfcheii burger.

De handel der Grieken ftrekte zig tevens zo ver uit, dat hunne kooplieden reizen en tógten ondernaamen; wélke tiiauds naati-

e 2 ij»

Sluiten