Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240 J. R. Forfter, Natuurkundige Waarneemin'gen:

wooners der landen aan de grcnfen van den ysriem! Hoe diep vervallen, op de bioote uitwendige gedaante na, van al wat menschlyk is! Hunne levensmiddelen zyn weinig en onzeker; hunne fpys is walglyk; hunne wooning de jammerlykfte hut, die in geenen deele aan het oogmerk voldoen kan ; hunne kleeding fmeerig, en geenzins genoegzaam voor de barre koude der luchtftreek, in welke zy leeven; hun aantal klein; hunne maatfchappy zonder eenige wederzydfche banden, zonder wederzyd. fche genegenheid, voor eiken aanval bloot gefield, om welke" te ontgaan, men hen op de dorfte klippen verdreeven vindt; zonder eenig gevoel voor het groote en fchoone; tot eene dierlyke onaandoenlykheid als verftyfd; zonder anderen regel dan de wet des fterkften; voorts vyandig, overal waar de gelegen, heid gunflig is, en van alle menschlykheid en mededeelneemend* gevoel ten eenenmaal beroofd.

Uit deze opgave bemerkt men reeds dat het oogmerk van den Heer F. in deze afdeeling geenzins is, om den oorfpronglyken woesten toeftand der bewooners van den zuider oceaan, en derzelver overgang tot dien van eene meerdere befchaafdheid op te fpooren; maar alleen om de verfchillende trappen van befchaaving, waarin zy zig onderling bevinden, met eikanderen te vergelyken, en dezelve in een duidlyk tafereel aan zyne lezers voor te houden. Ten dien einde doorloopt hy in eene aardrijks' kundige orde alle de eilanden en vaste kusten, welke door hem en zyne togtgenooten bezogt zyn geworden. „ Buiten die vol„ keren," zegt hy, „ welke door eenen byzonderen zaamen„ loop van gelukkige omftandigheden en lotgevallen, de hoogde „ trappen van befchaaving bereikt hebben, en buiten den om„ gang met dezen, fchynt de mensch nier dan in evenredigheid „ met de zagtere luchtftreek die hy bewoont, door de natuur „ tot het genot van een gezellig leven opgeleid te worden In „ de meeste gewesten, by de poolen gelegen, bevindt hy zie „ in eenen tegennatuurlyken toeftand, en zinkt aldaar ais be „neden zig zeiven, tot den ftaat van eene volftrekte woest-

„ heid. ■ . Deze algemeene ftelling, welke de Heer F ten

grondflag legt der ophelderingen, die hy ons mededeelt, omtrend den allengstoeneemenden ftaat van befchaaving, welke by de bewooners van den zuider oceaan, naar maate zy zig verder van het aspunt verwyderen, plaats vindt, wordt e*ter nader door hem bepaald in de volgende aanmerking: „ wanneer „ het geluk," zegt hy, „ het welk wy in Europa daadiyk ge„ meten, ten deele kinnen genieten, door die bedorvene me„ deburgeren verminderd wordt, welke de weelde en de on. „ deugd met haare gevolgen by ons ingevoerd, en daardoor

• » ver-

Sluiten