is toegevoegd aan uw favorieten.

De recensent, of Bydragen tot de letterkundige geschiedenis van onzen tyd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45o Teylers Godgeleerd Genootfchap, X. Deel.

„ 't welk, fchoon het eene fubjlantie is, evenwel geene uitge'. ,, breidheid, noch deelen heeft? Kunnen wy geene betrekuing „ zien tusfchen het beginrel van gewaarworden en denken, en „ eenig ftelfel van ftoffe; wy befpeuren ook geene betrekking, „ welke de ftof heeft tot de zwaarte en verfchillende andere ei„ genfchappen, waarmede wy zien, dat zy in de daad begaafd ,, is. Hetzelfde volmaakt Wezen, derhalven, 't geen de ftof „ met verfcheiden vermogens voorzien heeft, met welken zy „ geen natuurlyk verband fchynt te hebben, kan de leevende „ herfenen van den mensch met dit vermogen van gewaarwor„ den en denken begiftigd hebben, hoewel wy niet in ftaat zyn „ te begrypen, hoe dit vermogen de uitwerking zy van ftoffe, die zodanig gefchikt is. En, dewyl deze vermogens, volgens „ de ondervinding geoordeeld, altyd eenen zekeren ftaat der „ herfenen vergezellen, en nooit gevonden worden, behalve „ by dien ftaat, is 'er even dezelfde reden, om te zeggen, dat „ zy noodzaaklyk de herfenen in dien ftaat aankleeven , en tot „ dezelven behooren, als om te zeggen, dat de eleftriciteit de ,, noodzaaklyke eigenfchap van het glas, en de magnetifche kracht die van den zeilfteen is. Het is eene ftandvastige vereeniging, en niets anders, die op dezelfde wyze de grondflag „ is van onze gevolgtrekkingen in beide gevallen. 'Er is, in „ de daad, niet één verfchynfel, 't geen het gevoelen begun„ ftigt, dat de ziel eene van het lighaam onderfcheiden zelfftan„ digheld is. Geduurende het leeven in eenen gezonden ftaat „ vergezellen de vermogens van gewaarwording altyd het lig„ haam; en in eene korte ophouding van denken, als in eene „ flaauwte, by fchynbaare verdronkenen enz. was 'er nooit een „ voorbeeld, in 't welk men beweerd heeft, dat de ziel op eene „ andere plaats was geweest, en weder te rug kwam, als het „ lighaam herleefde, of ra den voorigen ftaat herftelde. In „ gevallen van deze natuur, zyn de vermogens van gewaarwor„ den en denken, volgens groote waarfchynlykheid, evenzeer „ opgefchort, als die van de ademhaaling en de beweging: En

wy zouden even fterk kunnen onderzoeken, waar de laatften „ zo wel, als de eerften, in den tusfchentyd van eenen fcbyn„ baaren dood, geweest zyn."

Zo verftaanbaar, zo krachtig, deze redeneering van den fchryver is, zo nadruklyk is ook het vervolg van dit bewys, in dezer voege. „ Wanneer wy moeten beiyden, dat wy zeer „ onkundig zyn van de natuur der ftof, waarvoor zy al vatbaar

is, en gefchikt kan zyn; vooral zeer onkundig van de onder• „ fcheidene zoorten; dan is het zeer mogelyk, dat het onelu„ dig Wezen, 't geen de wonderbaarfte verfchillende werkingen

„ en