is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdragen tot het menschelijk geluk.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—C 440 3—

flaan, in welks onderfte kamer hij licht zag en eene klaagende, zwakke vrouwenflem hoorde — „ o goede Hemel!" zeide de Waaker, nadat hij een tijd lang geluisterd had: „ ziekte gaat nog alle ellende te boven ; de arme Emilia fukkelde nu reeds vier maanden lang; in welk uur van den nacht ik hier ook

voorbijgaa , ik hoore haar kermen en deunen:

fchoon ik arm ben — ik ben, God dank! neg gezond: — vat wil ik meer?

In het huis der arme Emilia fcheen ook in de daad de menfchelijke ellende den hoogden trap bereikt te hebben. Man en Vrouw hadden zich , nevens zeven, grootendeels nog kleene Kinderen, tot hiertoe fober geneerd; hij, door als daglooner te werken; zy, met uit wasfchen te gaan: — eene krankte belette haar, zederd vier maanden , één éénigen duiver te verdienen: — zij wordelde,, op de beklaaglijkde wijze, met de hevigfte fmarten, en een fpaarpotje van twaalf guldens, van den zuuren arbeid overgewonnen, was nagenoeg verteerd: — de mededoogenloze Arts had haar nu , tegen ambt en pligt aan, verlaten, onder voorwendfel , dat zij niet te helpen was. — Eene arme , liefderijke Weduwe, die haar in allen nood had bijgedaan , zoude haar misfchien ook nu begeven , daar de ellende tot aan de lippen gekomen was, wijl deze zelve doodlijk ziek was; — dus konde de Man ook niets verdienen, wilde hij zijn' Vrouw, door gebrek aan hulp, niet doen derven : —