Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

—c 515 >

in een valsch licht, gefteld is. Uit dit alles zal dan dé vraag gemaklijk kunnen beiindwoord worden: „ of wij gcnoegzaame redenen hebben , orn over onzen toeftaud te onvreden te wezen; en wel op gronden; welken bij ieder' afgelopen eeuw vermeerderd zijn, <ki bij ieder' volgende vermeerderen zullen; en of wij met reden kunnen wenfehen , om tot onzen oirfpronglijken ftaat van befchaaving te rug te keeren — een wensch zeker, welke achting omtrend onze voorouders, berisping onzer tijdgenooten, en bekommering voor onze nakomelingen aan den dag legt?"

De mensch, zo als hij uit de handen van zijnen Schepper komt, is niet zo fterk, als fommige dieren, noch zo vlug, als anderen: doch, ten aanzien van het zintuiglijke, het best van allen gevormd. Hij ftilt zijnen honger ouder eenen eik; lescht zijnen dorst aan de naast bijliggende beek; vindt zijn leger juist onder denzelfden boom gereed, van welken hij zijn voedzelontvangt, en op deze wijze worden alle zijne behoeften vervuld. De aarde, overal met onafmeetlijke bosfehen voorzien, nimmer door den flag der bijl getroffen , biedt hem, bij iedere fchreede, even zo wel nieuwen voorraad aan, als zij aan alle de overige dieren, uit haren onuitputbaren fchoot, bij aanhoudendheid, overvloedig voedzel verfchaft. Aan weder en wind, aan de geftrengheid der jaarfaifoenen, aan zelfsverdeediging, door fterkte of door de vlucht, gewoon, verkrijgt zijn Iigchaam daardoor eene vastigheid, welke onbeweeglijk is. De Kinders erven die van hunne Ouders

Sluiten