Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150

duisternis.

waarom ook beide betekenisfen, fomwijlen, te gelijk door dit woord worden uitgedrukt.

Dus wordt Duisternis, Luk. I. 79, gefteld tegen vrede (heil, voorfpoed, gelukzaligheid), in zo verre daar niet bloot op onweetenheid, maar op derzelver gevolgen, het bederf van zeden, gezien wordt.

joan. L 5, de duisternis heeft hem niet gekend, dat is, ,, de menfchen, die door „ bijgeloof, en een zondigen wandel, van „ de waarheid (het licht) vervreemd waren." Zie vooral Hoofd. VIII. 12. XII. 35. Hand. XXVI, 18. Rom. II. 19. 2 Kor. VI. 14. Efez. V. 8.

Op deeze tweeledige, veelal gepaard gaande, betekenis van onweetendheid en godloozen wandel moet vooral worden acht gegeeven, om den waaren zin van fommige gezegden, in de brieven van Joannes voorkomende, wel te verftaan. Aldus

Joan. I. 5, 6, In God is geen duisternis; en indien wij zeggen, dat wij gemeenfchap met hem hebben, en in de duisternis wandelen, zo liegen wij. God, die de waar„ heid zelf is, haat alle boosheid: indien „ wij dan zeggen, dat wij (uit hoofde> dat ,, wij den waaren Godsdienst omhelsd heb„ ben, in het licht zijn) met Hem vereenigd „ zijn, en nogthans leeven, gelijk de ver„ blinde Heidenen, wier verftand verduis„ terd is, zo leggen wij de openlijkfte te„ genftrijdigheid aan den dag."

II. 9, 10, 11. — ,, Die de Christe-

„ lijke wet der Broederlijke liefde over-

„ treedt j

Sluiten