Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( Ï29 )

O Tuinfalaadje!

Beur 't kruintjcn op i O Lindeblaadje!

Zwel uit uw' knop» O Boeren boontje! Draag 't poeslig kroontje. Kruip , Kievits zoontje !

Kruip uit den dop.

De Prosaïsmiet. Ha , ha, ha, ha ! —

Porjeeriaantje k.

Klept, Ojevaaren!

Klept keer op keer Elk ki:scht het paaien

In vrolijk weer. De Irormen wijken. De bloempjcns kijken Langs veld en dijken

Zo malsch als teêr.

Ja fchatrend Vinkje

Uw zangtijd kwam, Nu huismans Pinkje

De Landfpijs nam t Gij fchra.igt mijn (haartje Bij 't kwi«plend Haartje, En 't Melkvol baartje

Van 'r zuigend Lam.

Maar hebt gij mijn Zieveei, en Merkhart wel gelezen? Dat is zo natuurlijk dat ik het buiten het riim (want dat heb ik er zelf aan gemaakt) bijna woordelijk uit den mond van twee vrienden die op 't ijs wandelden opgefchreven heb. Zieveel begint en zegt tegen Merkïiart: (pag. 240)

Mijn Merkbare, ik verneem , hoe vrienden vrolijk treden. Elk zoekt dien hij bemint: wat al vermaaklijliheden Verfchafc het vriesfalfoen den konden wandelaar! 'k Zie u ook hier, mijn vriend, in dit denk waardig jaar. Gelijk zoekt toch gelijk: wij, eens in trant van denken, Gaan zamen: laat ik u mijn arm ten (leunCel fchenken; 't Is glad op 't ijs.

Hier op laat ik Merk hart antwoorden (zo dat er niets onwaarfchijnelijks in is ; waarom men minder zou kunnen denken dat het een waare historie is) zó — geli;k ieder een in zijn plaats zijnde, zou ge-antwoord toebben:

Ee 3 j»

Sluiten