Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van JESAÏAS. Hoofdd. XXVIII. 519

XXVHIftc hoofddeel.

VS. I. Wee de trotfcbe kroon der dronken Epbraëmiten'. tWier pralend» fieraad eene verwelkende bloem is, / Op het hoofd van het vruchtbaar e dal en der bedwelmden van den Wijn.

TS. 2. Ziet! Jehovah zond eenen machtigen, eenen iterken ,

Die is als een geesfelenden hagel als een verwoestend tempeest, Als een vloed van geweldige wateren, alles over/lromende; Hij werpt ook alles ter neder.

ys. 3. Met de band worden ze afgerukt, en met de voeten vertreden, Die trotfcbe kroonen der befcbonken Epbraëmiten,

,0 ver Ephra'im, die 't opperbeftier over tien dammen beeft , vooripeld mijn geest , de treurigfte onheilen; Samaria mag als hofïtad, niet minder onder de andere fteden uitftekende zijn, dan de koninglijke kroon boven de overige vorftelijke fieraadien, en dat het zich vrij daarop verhelfe; Sichors dal mag de wellust der hofftad wezen, op welkers einde Samaria als een bloem praalt, en aan de dartelende wellust voedzel aanbied; in mijn oogen is het reeds eene verflenfte bloem. 2. Want Jehovah zal bevelen geven aan een dapperen en wel gewapenden vijand, d:e zal Ephraïms bloem, zo rijfig op haar fteel pralende, even als eene felle hagelbui doet , vergezeld van felle winden, knakken en tegen den grond liaan; een flagregen die eenen vloed van water geeft, zal alles wat rondom haar ftond, t-n als de voorgrond voor hare bevalligheden was, geheel vernielen. 3. Zo zal men die fchoone bloem, op °t einde van de valei, in de afhelling

Het xxviii. Hoofddeel fchijnt in His ki a's bewind uitgegeeven te zijn, en raakte meet de Israëliërs; maar daar 'er gelijkheid in.zeeden was, oilr der die van Juda, word dit in de beftraffende rede niet vergeten.

vs. 1. Dit beeld is natuurlijk; Samaria, in een aangenaam dal op eene hoogte gelegen, was de kroon dier fchoone ftreek.

vs. 2. De beste Handfchriften lezen zo voor Adonai, hier ftaat eigenlijk: fterke en machtige; ik denk dan, dat de comparatie is met Damascus Koning, op wien de Israëliërs wegens de verbintenis met hem zich zo zeer verhieven.

Kk 4

Sluiten