Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET LEVEN

VAN

PIET HEIN.

Hendrik. Vader! Gij hebt ons gisteren beloofd, toen wij in het Kabinet van Grootvader, dien mooijen Penning zagen, dat gij ons wat verhaalen zoudt van dien Man, tot wiens eer gij zeide, dat hij geflagen was. Hoe heette die Man ook, Pieter?

Pieter. Zijt ge dat al weêr vergeeten; wel hij hiette net,'zo als gij en ik zamen.

Hendrik. Ja! ja! Piet Hein maar wat doet

'er de naam ook veel toe, als hij maar een goed braaf man geweest is. Niet waar? Vader!

Vader. Dat is wel gedeeltelijk waar, Hendrik! maar de naamen zijn toch zeer gefchikt, om de zaaken, en perfoonen vau elkander te onderfcheiden. En fchoon gij wel doet, met mij aan mijne belofte te eiinneren, die ik u gisteren gedaan heb, zie ik toch met genoegen , dat uw broeder, ook den naam van dien man onthouden heeft. Misfchien dat hem nog wel meêr heugt.

Pieter. Ja, Vader! Gij zeide, dat die Piet Hein, de Zilvervloot genomen hadt, dat heb ik wel onthouden, maar ik heb dat niet recht kunnen begrijpen.

Hendrik. Ja, ik hoorde Vader ook wel fpreken, van zo een ding, als een zilveren of gouden Vloot;

B 4 maar,

Sluiten