Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-C 512 )-

In den aanvang, wilde men den Gouverneur niet ten vollen gelijk geven; terwijl de Heer S. bi aanhoudendheid beweerde, dat zijnen Kinderen, door niet te bidden, geen nadeel konde toegebragt zijn Ondertusfchen was het waarfchijnlijk g«n0eg, dat de' wederzijdfehe Kinderen "er met elkander over gefproken hadden. Mogelijk hadden de Kinderen van den Heer N. tot de anderen wel gezegd: „ wanneer Si] niet bij ons eet, dan laat Vader ons zo wel vóór, als na den maatrijd bidden:" terwijl dezen daartegen aan genen misfchien verteld hadden, „ dat hun Vader hen nooit liet bidden." _ „ Laa't' mij thands eens begaan," zeide de Gouverneur: „ik zal u overtuigen, dat uwe Kinderen meer van bidden weten, en 'er meer met eikander over gefproken hebben, dan u lief is, en dat glj Wdeö hebt, om alle 1'chaadelijke denkbeelden en gevolgen te weeren."

Het liep tegen den avond, en de Heer S. verzogt het gezelfcbap, om met de Kinderen bij hem te willen eten. Deze allen bij eikanderen zijnde, werd de tafel gedekt, en het eten 'er opgebragt. De Kinderen wisten al derzelver plaatfen, en Christiaan, de Zoon van den Heer N., benefFens Karel, de Zoon van den Gastheer, wilden ook reeds gaan zitten,' teen de Gouverneur het volgende gebed begon; „ Lieve God en Vader! Gij zijt zoo goedertieren, dat Gij ons dagelijks zoo veel geeft, dat wij ons verzaadigen kunnen. Geef ons, en onl zen lieven Kinderen , dan ook dankbaars harten voor Uwe liefde en weldadigheid!"

De

Sluiten