is toegevoegd aan uw favorieten.

Reizen door Switserland, in een reeks van brieven geschreeven aan William Melmoth.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

w. c o x e

bij het naderen van de bergen naar den waterkant, fmaller word. De couleur van het water is zeer fchoon, helder, en op eenen afftand fchijnt hetzelve allerbekoorlijkst blaauw te weezen.

Bij Geneve vind men langs de kust een overvloed van kleine keizelfteenen, die met een bruin bekleedzel bedekt zijn. Van Geneve tot aan Laufan. ne zijn de oevers zandig , doch van Laufanne tot Chillon fchijnen de rotsachtige beddingen hard en van een kalkachtigen aart. Het einde van het meir is een moeras, die door de bijeenverzamelde ilijk van de Rhone gevormd word.

De diepte is niet overal dezelfde. De Heer de Luc heeft mij verzekerd, dat hij de grootfte diepte bevonden had honderd zestig vademen te wee* zen: hetzelve is even als alle binnenlandfche meiren , die tusfchen hooge bergen beflooten zijn, onderhevig aan onverwachte ftormwinden.

Het is mij onbekend of dit meir door eenige vogelen bezogt word, welke in het overige gedeelte van Szvitzerland niet gevonden worden. De tippet grebis (*) komen in December derwaards en vertrekken in February. Derzelver vederen maaken hier een voornaam artijkel van weelde uit, en worden van iederen vogel voor omtrent twaalf of veertien (Engelfchè) fchellingen verkogt. Deeze vogelen zijn genoodzaakt om op andere plaatfen te broeden, dewijl in dit meir bijna geen riet of ftruiken gevonden worden, waarin zij hunne drijvende nesten

(*) Pennant's, Brit. Zool. Vol. II. No. 222,