Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN FRANKRIJK. XXVI. BRIEF. 233

"veelligt, onder de reizigers, zouden zijn , met ons gevaar medelijden hadden , en wegens onze behoudenis bekommerd waren.

Eer de ftorm zoo hevig werd, dat bij alle andere gedachten, dan die om zich tot den dood te bereiden, uitfloot, kon ik niet nalaaten, rnij met de aanmerkingen, welken ik over de Franfche gewoonten en de Franfche ftaatkunde in de kajuit hoorde maaken,tc verlustigen. ,, Ach! " zeide iemand tot zijnen buurman , ,, was het ,, noodig, eene reis naar Frankrijk te doen, ,, om te weeten, hoe Oud-Engeland ons geval„ len zou , wanneer wij 'er te rug zijn geko-

,, men?"- „ Wat mij aangaat," voegde 'er

een ander bij , ,, ik ben , geduurende al dien „ tijd, dat ik in Frankrijk was, niet eens in de 3J gelegenheid geweest om dronken te worden

,, niet een druppel porter.was 'er te beko-

men; — en wat hunne eetwaaren betreft, „ een brokje vleesch van dén en een half pond „ durven zij een fchoon ftuk gebraaden osfen„ vleesch noemen." — „ En ik bid u," liet hij 'er opvolgen , kcerende zich naar eenen der Hiatroozen, „ wat dunkt u van hunne NationaaP 5 » 16

Sluiten