Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 ZESTIENDE LEERREDE.

beneemt, is de verklaaring vanPaulus, Gal. IVi 26. daar Hij zegt: Maar Jerusalem, dat b& ven is, dat is vrij, welk is onzer aller Moeder, en beroept zig in 't onmiddelijk volgende vs. tot ftaving van zijn voorftel, op dit ons Text-capittel, welks eerfte woorden hij aldaar uitdrukkelijk aanhaalt. Paulus noemt dan daar de Kerk, die hier wordt aangefproken, en voorgefteld als onzer aller Moeder, deze zegge ik, noemt hij daar uitdrukkelijk Jerufalem, na dat hij even te vooren Sara, als haar voorbeeld befchreven hadt, gelijk ze in 't voorgaand gedeelte van dit ons Text-hoofdftuk ook als de geestlijke of tegenbeeldige Sara was aangemerkt. Dit is te aanmerkelijker, om dat de Apostel in 't voorige vs. van de tegenbeeldige Hagar dus gefproken had; zeggende: Dit, (namelijk) Hagar, is Sina , een berg in Arabie, en komt over een met Jerufalem dat nu is , en dienstbaar is met hare kinderen; maar, zoo volgt 'er bij tegenftelling, Jerufalem dat boven is, dat is vrij, welk is onzer aller Moeder. Hij noemt het tegenbeeld van de dienstbare Hagar, Jerufalem, hij noemt het tegenbeeld van de vrije Sara ook Jerufalem : maar het onderfcheid is daar in, dat hij van 't eerfte zegt, V is nu, en 't is dienstbaar; doch van 'tandere, V is boven,en V is vrij.

Het blijkt derhalven dat de toefpeling hier is op eens Stad, en wel bepaaldelijk op Jerufalem,

on-

Sluiten