Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

JESAIA LIV: VERS 15-17. 237

hcid cn boozen wille; hoewel in zijn bedrijf als een fchepfel alleszins van God afhanglijk. Maar hier, in dit laatfte Lid, zegt God, onmiddelijk, Ik heb den verderver gefchapen om te vernielen, niet maar4 ik heb den verderver gefchapen die vernielt , of die V inflrument gebruikt om te vernielen ; neen, God ftelt zig hier voor als de oorzaak van den verderver en zijne bedoeling teffens; als hetzelfde met hem bedoelende, ik heb hem gefchapen om te vernielen; het gene ook waaragtig is van de vernieling der vijanden en vervolgers, door vcrdervers en verderf welke God daar toe en met dat oogmerk waarlijk verwekken zou. Maar indien men door dien verderver den vervolger der Kerk, en door zijne vernieling de vernieling der Kerk verftaan wilde, zou het fchijnen uit zulk een wijs van voorftel, als of God in het fcheppen van den verderver een voornemen had gehad , om hec geestlijk Jerufalem te vernielen; het welk ongerijmd is. Het is waar,men zou 't in dien zin kunnen opvatten en verklaren, dat de Geest door den Propheet alleen had willen zeggen , dat God den verderver heeft gefchapen, welke verderver, en niet God, het voornemen heeft om te vernielen; en dus het oogmerk ter vernieling niet zoo zeer tot het fcheppen, maar alleen tot den verderver brengen ; niet dat hij gefchapen zou zijn om te vernielen, maar dat hij, verderver, wiens toeleg en

werk

Sluiten