Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a38 VIJFENTWINTIGSTE LEERREDE.

Alles wat den naam van zoeken heeft is het zoeken niet dat hier bedoeld was: 'er zijn zoogenaamde zoekers, die niet vinden, 'er zijn aanroepers des Heeren, maar die niet gehoord worden; geveinsden namelijk, die wel een vertooning maken van naar den Heere te vragen, en in de benaawdheid, zoo lang die duurt, wel tot Hem roepen; maar wier hart niet regt is , wier ganfche Godsdienst alleen in fchijn en vertooning beftaat, zonder verandering van hart en wandel, 't Is hierom dat, ter nadere bepaling van den voorgeftelden pligt, deze nadrukkelijke verklaring 'er wordt bijgevoegd .• Be godlooze verlate (dit was het regte zoeken , hier in moest het zoeken en aanroepen van den Heere betoond en uitgeoefend worden) de godlooze verlate zijnen weg , en de ongeregtige man zijne gedagten, en hij bekeer e zig tot den Heere onzen God; onder die toezegging en aanmoedigende verzekering, zoo zal Hij zig zijns 'ontfermen, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

Zien we I. de vermaning.

II. De drangredenen.

I. In de vermaning moeten we befchouwen

A. De Voorwerpen

B. De inhoud der vermaning zelve

A. De voorwerpen tot welke de vermaning zig inrigt, worden uitgedrukt onder de benamingen van godlooze en ongeregtige man. In 't voorige

Sluiten