Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( Sb 5

Daar doet een woest tijran zijn flaaffche dienaars flagtdn j

Zijn purper is geverwd met rookend burgerbloed; Daar durft men ongeftraft de deugd en trouw verachten,

En helfche plonderzucht fmacht naar verboden goed: De geile lust verkort den jongen levensmorgen;

De dartle weelde hee-rfcht en elk is flaaf 'er van; De vrek verzamelt goud, doch 't baart hem niets dan zorgen,

Wijl hij het wel bezit maar niet genieten kan: Waar wenfchen wenfchen, en waar jamren jamren baaren, OStvliêii in ftadige angst de jonge levens jaaren.

Maar gij, eelaartig volk! deelt famen heil en fmarte,

En gij kent de ondeugd niet, waar door de ziel ontaart| Uw gunllig lot vóórkomt de wenfchen van uw harte,

Met goedren wier bezit geen bittre zorgen baart; Geen innerlijke Hang doorknaagt uw rein geweten,

Geen laat berouw verpest de vreugd die gij geniet; Kunt ge u, dit oogenblik, volmaakt gelukkig heeten ,

Ook 't ander oogenblik teelt u geen zielverdriet: Gij leeft altoos gelijk, niet laag, niet hoog verheven , En 't uur van uwen dood is rustig als uw leven.

O!

Sluiten