Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 37 )

Doe dit was wel gelukt, men geen gevaar meer agt, Maar waarde Lezer! ziet daar komt weer nieuwe klagt, Twee waaren in 't fecreet dit merkten de Soldaten , En maakten 't kenbaar want zy fchreeuwden uittermaaten, Zy wierden 'er uirgehaalt bemorft, en tot ftraf Bragt men hen in 't blakhol, en half rantzoen hen gaf. De tyd de fnelle tyd die loopt met rafle fchreden, Ging voorts het jaar ten eind, in bange tegenheden. Door 's Heeren goedheid zag men weer het nieuwe Jaar In louwmaand viel niet voor waardig te zyn kenbaar, Ook niet in fprokkelmaand; als in de laacfte dagen Beilonden deez' en geen de wagten te ondervragen, Of zy hun voor wat geld al was het in de nagt. Wel wilden helpen weg, als zy hadden de wagt. Het geld bekoord'er veel; dit deed zulks ondernecmen, Men hielp 'er veelen 's nags over de muuren heenen, En doe men in de maand van Maart gekomen was, Kwam nog zes hondert man van Schrewbury zeer ras By ons in de Pryzon, alle Gevangen lieden. Een byzonder geval zag men toen weer gefchieden:

Een Franfchman in't blakhol groef weereen gat des nagts, En kwam daar kruipen door, dog eenen van de Wa-t Ontdekte het geheim, en kwam op hem te fchieten, Straks hoord men naar gefchreuw het welk ons zeer verdrieten, Want hy was door die fchoot gekweft in 't regterbeen , Het welk des and'ren daags alreeds wierd afgefneen: Dit fchrikten wel wat af, en gaf veel nabedenken , Dog die een weinig geld wil aan de Wagters fchenken Geraakten wel eens vry, dog fom'ge weer gevaan Moeften dan voor hun ftraf, weer na 't blakhol toe gaan , C 3 De

Sluiten