is toegevoegd aan uw favorieten.

Johan van Oldenbarneveld.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7* JOHAN van OLDENBARNEVELD.

n Hij zweert, dat nimmer dwang den huwlijksband zal fcheuren

„ Dat zijn Emilia, waar hem 't geweld verban', » De trouwlïe blijken van haar min zal waardig keuren;

» Dat Staatsgezag geen echt, zo wettig, lebenden kan. „ Men rukt hem uit den arm van zijn gebelde Gade,

., De wraak, zo ras ontvlamd in 't Portugeefche bloed, m Berst los. Ik fmeekte God', al fiddrend, om genade.

n Wie teugelt moordzucht, als de wraak wanhoopend woedt? „ De doodverw fpreidde zich reeds op genoten lippen

„ Der zwijmende Prinfes: de Prins, die deed der min „ Herhaalt, omhelst haar: 'k hoor den relften vloek ontglippen

N Op elk, die 't leed bewerkt van zijne zielvriendin. „ Men voert hem uit de zaal: - nooit kan ik 't lijden maaien

„ Van mijn Emilia; de rouw verfchcurt haar hart. „ 'k Moet op haar' last aan U beur ijslijk lot verhaalcn,

» Zij fmeekt om deernis met haar fólterende fmart." Hier fmoort de ftem der maagd in afgebroken mikken.

Louize llaakt een' zucht, cn hoopt op Baraevcld. 't Verhaal doorgrieft haar ziel, en in deze «ogenblikken Wordt de oude Staatsman nog, hoe laat, haar aangemeld.

, Hij