Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTSTE ZANG. S4i

De beul treed fiddrend toe op 's Grijsaards agtbre wenken,

Waleus drukt de band zijns vriends aan 't zwoegend hart, En fluit het weencnd oog - 't gevoel verfmoort het denken;

Ee kragt der ziel kwijnt weg — verbeelding zwicht voor fmart. Deins tedre Zangnimf! — deins! — het bloed befpat uwfnaaren;

Vernietiging rolt door den boezem der natuur; De hel blijft zelfs ontroerd op 't lot der onfchuld ftaaren;

Heel de aard fchaamt zich voor God in dit vernedrend uur. Hoe fchemert hier 't gezigt! ... ja de ongefchapen luifter,

Die om Gods heiltroon gloort, verlicht het moordtooneel. Vlugt wroegende ondeugd! fchuil m'safgronds aaklig duifter,

Eer U dees glans verteert! - Hoe kwijnt hier 't dichtpenfeel! Geen aardfche poëzij, hoe Godlijk — hoe verheven!

Sch:tst ooit het morgengoud der rijzende eeuwigheid; Een flaauwe nevel blijft 't bcfpieglend oog omgeven,

Maar 'k oog mijn'' Christen na, ter glorie ingeleid. Hoe vrolijk voelt zijn geest de onfehendbre kluifters breken!

De gloénde Cherubijn der onfchuld wijst hem 't fpoor Voorbij de fterflijkheid; — ö onbekende ftreeken!

Hoe Godlijk ftreeft mijn held U, als verwinnaar, voor!

V 3 Jil

Sluiten