is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t6 Da Stra? van oelïjkm. Wedervergeld. enz„

hadden, werden zelve naar dien kuil verweezen en door da leeuwen verfcheurd. Dan. VI.

Tot den koning van Asfyrien zeide God, met de hoogde regtvaardigheid, Jef. XXXIII: i. Wee u, gij verwoester, 'die gij niet verwoest zijt, en gij die trouivlooslijk handelt, daar men niet trouwlooslijk tegen u gehandeld heeft; ah gij het verwoesten zult volbragt hebben , zult gij woest worden; als gij bet trouwlooslijk handelen zult voleind hebben , zal men trouivlooslijk tegen u bandelen.

Uit de Joodfche gefchiedenisfen van laatere tijden' kunnen tot voorbeelden {trekken Jafon , 2 Macc. IV, V ; Antiochus, i Macc. VI: 12, 13. Menelaus 2 Macc. XIII; cn meer andere, waar onder ook is, dat God den eer-dienst, Welken de Egyptenaars aan onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten toebragten, met eene menigte van onvernuftige dieren, hun tot wraak toegezonden, geftraft. heeft, Boek der Wijsh. Hoofdit. XI: 16, 17.

Nóg veel meer voorbeelden zou men kunnen aanvoeren, als daar zijn de ftrafTen, welke Saul en den zijnen, die David ter dood gezogt hadden, zijn overgekomen. Het uiteinde van Haman en deszelfs medepligtigen in het geen men Mordechai en den jooden zogt aan te doen; de diepe vernedering van den trotfehen Nebucadnezar; enz.

Op gelijke wijze doen zich menigvuldige voorbeelden op in de gefchiedenisfen des Nieuwen Testaments. Men -weet hoe het Joodfche volk is geftraft, het welk allen den raad Gods had verworpen ; wat eenen Herodes Agrippa wedervoer, die op dezelfde plaats, alwaar hij zich, onder eene koninglijke pragt, als eenen God liet eeren, met eene verachtelijke en doodelijke plaage van God werd bezogt, Hand. XII: 21-23; wat den vervolgeren der Christenen, Nero, Domitianus, Decius, en anderen, over welke men Lactantius kan naleezen, is overgekomen.

Ook zou hier uit de ongewijde gefchiedenisfen veel kunnen worden bijgebragc (*), rerwijl ook de ervaaring, tot op den huidigen dag , aantoont, hoe verfmaading met fmaadheid , onregtvaardigheid met gelijk onrecht, of andere evenredige bezoekingen, ombarmhartigheid met gelijke behandelingen door anderen , enz. door Gods zichtbaare Voorzienigheid veeltijds worden vergolden.

XVII.

(*) Men leeze, behalven andere, Valerius Maximus, Lib. VI. Cap. 8. Camerarius Horar. Subcis.Cmtm.l. Cap.98,99.