Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG. .31

Zwijg, Dwaasheid! ftelp uwe ijd'le klagten, De mensch zij werkzaam, toets'zijn' kragten,

Maar onderwerp' zich verder fïil,

Aan de Almagt, die het beste wil. —— Reeds oopnen zich de wolk-gordijnen. Het dof gefternt begint te fchijnen,

Tot troost in Duucans zielsverdriet. Ja, als de dampen van den morgen, Verdwijnen 's Vlootvoogd angst en zorgen,

Daar hij zijn' vloot behouden ziet.

De zon blijft onbeneveld klimmen, De kalmte keert; en aan de kimmen

Verfchijnt van ver de Landingsvloot.

Een aantal kielen, klein en groot, Doet Duncans flaauwe hoop ontwaaken, Zijn hart van blijfchap juichen, blaaken.

, Men meerdert zeil ~ houdt noordwaards aan, Dc feinen doen reeds bij het naadren, Wijl al dc fchepen zaamvergaadren,

't Behoud van heel de vloot verltaan.

Sluiten