Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5*t Nederlandsche Reizen.

den Eerften togc der Hollanderen naar de Oost-Indien, met vier Scheepen in 1595, onder beleid van Kornelis Houtman, Gerard van Beuningen , Jan Schellinger, Reimer Verhel en anderen.

Wij kunnen niet anders, of moeten dit ontwerp aanprijzen. Ondertusfchen vinden wij ons verlegen, om uit de menigte van zaaken eene keuze ce doen, om tot eene proeve te dienen van den ftijl en wijze van verhaalen. Onze aandacht valt op de ontmoeting met eenen Beer geduurende den tweeden togt, op het Staaten- Eiland voorgevallen , die bladz. 4S door eene prentverbeelding ook aan het oog voorgefteld en dusbefchreeven wordt: „Zij zetten voetaan land op het Eiland, alwaar zij zeer veele honden vonden , van welke zij eenigen doodden. Op den zesden van Herfstmaand gingen wederom eenige Matroozen aan land, om een zekere"foort van fteenen te zoeken, welke veel naar Diamanten gelijken, en die op dit Eiland gevonden worden. Midlerwijl hadden twee Matroozen zich bij elkander nedèrgeleid om te flaapen. In deezen ftaat naderde hen een magere witte Beer, welke met langzaaróe en zagte fchreeden bij hen gekoomen zijnde, een van hun agter in den nek greep De Matroos, niet weetende wat 'er voorviel, nep uit- Wie vat mij daar van agteren? Zijn makker het hoofd oplatende , voerde hem te gemoet, Ach, mijn lieve vriend, het heen Beer, en ftraks overeind rijzende, zette hij het op de vlagt. Midlerwijl beet de Beer den ongelukkioen Matroos op verfcheiden plaatzen in het hoofd, en hetzelve geheel verbrijzeld hebbende, likte hij het bloed. De overige Matroozen, welke, ten getale van twintig, aan land waaren , fchooten ftraks toe met hunne musketten en pieken , en vonden den Beer bezig met het lijk ten lijve te flaan. Het fchrikdier hen ziende, viel met eene ongelooflijke woede op hen aan, greep een uit den hoop, nam hem weg en verfcheurde hem. Toen floeg de fchrik in allen, zoo dat zij de vlugt namen.

, Zij, die in het Schip en in het Jagt waren gebleeven. Trien dus ziende vlugten en hunnen weg naar het ftrand neemen fpron^en in de floepen en roeiden uit alle hunne magt naar' ftrand", om hen te bergen. Zoo dra zij aan land gekomen waren, en dit deernis-waardig fchouwfpel gezien hadden, moedigden zij de overigen aan, van met hun ten ftrijde te trekken, en gezamentlijk dit verfcheurend dier aan te tasten; doch zommigen konden daar toe niet beflui-

leven

Sluiten