is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar van veele duizend ralenten goud en zilver vinden wij niets; en Josephus zegt » : „ dat de fchatkamers Jn welke onnoemlijk veelgeld, kleederen, kostbaarbeden, en alle 3, zoo lang opgehoopte rijkdommen der Jooden, bewaard werden, aoor het vuur verteerd zijn." Doch dit voldoet niet: het goud en zilver mogt.wel gefmolten zijn, maar dan had men echter de duizenden van talenten, op die plaats, daar zij in de fchatkameren gelegen hadden, moeten wederge vonden hebben. 13e geheele gebeurtenis laat zich veel beter uit de labyrinrhifche en verborgene gewelven des tempels verklaaren. Het is zeer natuurlijk, dat de Priesters, na de plondering van'Crasfus, het grootfte gedeelte der heilige fchatten in de allerverhooienfte geweiVen des tempels, waarfchijnlijk in zoodaanige, als Ezech„ VIII: 7— ii befehreeven worden, weggelegd en verdeeld zullen hebben, offchoon 'er ook nog iets tot eenen fchijn in de fchatkameren boven de aarde lag; —— even zo natuurlijk is het, dat deeze fchatkameren Hechts aan weinige Priesters bekend waren; waarom dan ook de muitelingen, die niet van de voornaamfte lieden waren, niets van dezelve weeten konden. ^ Zelfs Joskphus, die niet tot de Schatmeesters behoord had, weet 'er niets van^ veelligt leefde ook bij de verovering van leruzalem niemand, die 'er iets van wist; want het grootfte deel der voornaame Jooden was reeds voorheen omgekomen. En nu bleeven die groote fchatten , door de Romeinen niet gevonden, in diepe laoyrinchen begraave.n.

Maar laat ik nu tot het gewigtigfte ftuk komen, waar toe ik dit alles eigenlijk gefchreeven heb.

Hoe veel is 'er getwist over het verhaal, welk nogthans eene zoo aanmerkelijke plaars in de Romeinfche, foodfche en Kerkelijke Hiftorre bedaar, naamlijk: dat Keizer. Juliann den tempel van Jeruzalem weder wilde laaten opbouwen, maar dat her werk door uitbreekende vuurvlammen, die ie werklieden -doodden, gehinderd, en vervolgens aeheel geftaakr was? ITe eene hield het. bijkans al te ligtgeloovig, Voor een Wónder werk; de andere voor eene asrdbeeving, en uirberfb'ngen van e^nen onderaardfchen Vuurbraaken; alhoewel eene aardbeving van die hevigheid nier enkel eenen kleinen ber<r treffan kan, en de Gefchiedfchrijvers, zelfs de Kerkelijke, eene voorafgegaane aardbei

00 Josephus de belLjttd. VI, 5, É.

J, Do M 1 c h a ë l 1 s,