is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44& j. D; MicïAêns,

„ uit, die de werklieden eenige maaien verbrand hebbeade, de plaats ontöegangbaar maakten; en terwijl het ,, vuur hen dus met ahe magt van daar weerde, heeft hij a, het begonnen werk ge (laakt."

Een wonderwerk vind ik nier in 't geheel niet, en zou het ook als Christen, rot waarmaaking van Christus voorzegging' Matth. XXIV,noch verlangen, noch verwachten; want in dezelve wordt wel gezegd, dat de tempel nog voor het einde van hei menfchen gedacht, toen leevende, zou verwoest , en geen (leen op den anderen gelaaten worden; maar niet, dat hij nooit weder opgebouwd worden zou. Zoo ras men aan de onderaardfche gewelven, (ten deele zelfs gooten, rioolen, ckacae, afleidingen des waters en der vuiligheden) denk', moet.alles voor den middelmaat^ gen kenner der natuur zeer begrijpelijk zijn.

In het zeventigfte. jaar na Christus geboorte werd de tempel verwoest; in het drie honderd drie en zestigfte jaar gefchiedde dat geen, 't welk Ammianus Marcellinus verhaalt. Bijkans drie h nderd jaar hadden nu deeze onderaardfche gewelven en gangen met puin verftopt en geflooten gelegen; in veelen derzelven moest eene ontvlambaare lucht zich vergaderd hebben ; bij het leggen der grondvesten ontmoet men deeze gewelven; buiten twijfel onderzoekt men ze, of werkt daar in bij her licht van fakkelen; en dus moesten 'er doodende vuurballen uitvliegen. Gaat men in gewelven, die lang geflooten zijn geweest, dan pleegt een van beiden, naar de gefteldheid der lucht, welke in dezelve voortgebracht is, fe gefchieden: of ieder fakkel gaat uit, en de mensch valt eerst in eene flaauwre, en kort daar na dood ter neer; ook den tweeden, den derden gaat het op gelijke wijze.: of, wanneer de lucht ontvlambaar is, zoo openbaart zich eerst rondom het licht der fakkel of kaars een klein fpeelend vlammeken, welk men bijna voor een googchelend dwaallichtje zou houden; (dan is het meer dan tijd om te vlugten en zich te bergen) uit dat vlammeken omftaan ras meer; kort daarop wordt de ontbranding eensklaps algemeen, breekt met eenen donderflag uit, en doodt die geenen, welke zij in 't gewelf vindt, of anders ook maar treft. Niet een enkel ongelooflijk woord zegt Ammianus. dan alleen voor iemand, die van dit verfchijnzel onkundig is. En zoo dikwijls men, bij het leggen der grondvesten, aan nieuwe gewelven en onderaardfche gangen kwam , werd het vreeslijk fchouwfpel vernieuwd. —— Een wonderwerk was het zekerlijk niet,

mm