is toegevoegd aan je favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Natuurlijke Historie des Ratelslang. -333

i*waren 'er enkel overeenftemmcnde, confenfuelle, toevallen, als braaken, duizeligheid, flaaperigheid, en wel terftond van het eerfte oogenblik af, de wond in 't geheel j niet ontdoken, en dikwijls in zeer korten tijd reeds belóo| pen. — Bij zommigen waren beide deeze foorten van toe* f vallen gemengd te "befpeuren; en eindelijk gebeurde bet l ook wei, dat geene van dezelve zich openbaarde, en becDier na verloop van vier, agt of veertien dagen ongemeen f fchielijk, en om zoo te fpreeken oogenbliklijk ftierf, zonider in dien geheelen tusfchentijd een eenig toeval gehad te Ihebben.

't Is derhalven niet ligt, de toevallen deezer ziekte te beifchiijven. De gebeetenen, welke ik gelegenheid had om |te zien, en van'welke ik berichten kan bekomen, verzeïkerden alle, dat zij eenen taamlijk fterke brandende pijn, | gelijk die, welke de fteek eener Wesp veroorzaakr, ondervonden hadden, welke zich van de wond langs de water-vaten plagt uit te ftrekken. — Naar het gedrag der imeeste dieren te oordeeien, moet deeze pijne echter dikwijls ten uitterfte onbeduidende zijn, of dikwijls zelfs wel -ten eenemaal ontbreeken. Niet zelden ontfteeken de wond en de water-vaten van het gekwetfte deel, en dikmaals het :geheelelid, zoo dat het donkerrood en blauw, en menigmaal de geheele omliggende llreek brandig wordt. — Onder de gewoonlijkfte en eerfte toevallen behoort dorst, en bij veelen eene grilling, gelijk bij eene koude koorts, en 'flijmig enkel krampachtig braaken. Doch allergemeenst was bedwelming, duizeligheid, lammigheid der lederoaaten, flaaperigheid, en eene beelden-gelijkvormige beweeiginglooze rust, die flechts door ftuiptrekkingen afgebroken jwerd. Geene deezer toevallen ontneemt alle hoop van ge-neezing. Maar ik weet geen gev.al, waar in een dier het bloeden uit den mond, den nëus en de ooren overleefd heeft. Over't geheel weet ik maar twee gevallen van dee?zen aart; naamlijk van een paard, en het ander van eenen ;krijgsknecht, die door fterk gaan op eenen zeer heeten dag fterk vermoeid was, en welke, door eene Ratelflang gebeeten, in tegenwoordigheid van Dr. Brucit, onder braaien en bloeden uit alle openingen der huid, binnen zes juuren overleed: een toeval, welk aan de Ratelflang niet'bijzonder eigen is; want de Ouden kenden reeds eene : Slang welker beet deeze uitwerking vcortbragt.

Ten

CO Hamorrbm.

Z 3