Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tkmpkl-geziciït, $3?

het Godsvolk voorgehouden, hoe over hunne zonden niet Hechts fchaduwachtige, maar ook wezenlijke verzoening gelchiedde, de uitwerking hier van moest zijn, dat het gemoed, zoo doodlijk getroffen over het hartbreekend gezicht van eenen onverzoenden ftaat met God, in volle ruimte gebragt wierdr. Betrekking te hebben alleen tot Joftia, uien uiterlijken Tempelvoogd , kon het hart, het welk inzien had in de verborgenheid van het hooge Genade-verbond, geen rust of vreede bijzetten; edoch langs den weg van den vereenden ftaat des geloofs met het eenig en groot Verbondshoofd der uitverkoornen Jefus Christus, betrekking op God Drieëen te vestigen, daar alleen is het leeven der ziele, om met vrijmoedigheid tot den Zoenthroon van genade toe te gaan, daar alleen rust en vreede. te genieten, daar blijmoedig te juichen, de Heere is mij tot heil geworden.'"

De Heer van Slijpb vervolgens opgemerkt hebbende, dat men tusfchen de eerfte en laatfte vertooning, welke Zacharia aldus zag, in de vervullinge een tijd van twintig jaaren fchijnt te moeten ftellen , en hoe het Goddelijk oogwit, het verband en de gefteldbeid van dit gezicht, in dit lilde Hoofdftuk vermeld, de gewenschte dingen van Israëls grooten Verzoendag vertoonde ; leert daar op, tot nader verftand van den waaren zin en bedoeling van deeze vertooninge, hoe de Hoogepriester Jofua in dit gezigte zij ' aan te mei ken, en hoe de Satan in het zelve vertoond worde. Naamelijk, '

De Hoogepriester komt hier, op dien grooten dag van verzoeninge, voor ., als het plaats-bekleederid volkshoofd, die in zijn perfoon den Heere het volk ter verzoeninge voordroeg. Immers dit blijkt uit aanmerkinge — deels, dat de Hoogepriester geheel Israël, inden'Ephod, op zijne borst droeg (a). — deels, uit vs. 8. van dit Hoofddeel, het welk jofua in betrekking tot Juda als zijne vrienden ftelt. — deels, naardien God inkomt als vertoornd, niet bijzonder op den perfoon van Joftia, maar op geheel Juda, wegens de zonden van traagheid en ongeloof. Zoude nu de verzoening alleen op den Levitifchen Hoogenpriesrer zien, wat troost had dan toch het heele volk hier bij? daar het dus moest blijven liggen in fchulden en onreinheid, en niet anders dan in gegronde vervvagtinge

van

O) Exod. Hoofdft. XXVIII: 6—14;

Q5

Sluiten