Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEGENS EENE R B I Z E ENZ. 837

vertieren, welke zij als vlaggen voor hunne deuren uitftafcen — Door de ftraaten van Tanger zwierde te gelijker'tijd een zeer onregelmaatige optogt van Mooren in eene zeer groote meenigte, onder het ruifchend geklank eener fterke Turkfche Muziek. — Men vernam ras, dat alle deeze Vreugde-bedrijven gefchiedden ter eere eener overwinning, welke zijne Marokkaanfche Majefteit over eenige muitelingen in het gebergte Atlas behaald, of veel meer eene groote ftrafoeffèning, welke hij a.n eene meenigte weêrfpannelingen aldaar hadt laaten uitvoeren. — Tegens den avond omtrent zonnen - ondergang, werd dit falvo fchieten uit het grof gefchut aan den Zeekant nog eens

h6Detegenwoordige Keizer van Marokko is, gelijk eertijds ook zijne Voorvaderen, geftaadig met een gedeelte zijner onderdaanen in eenen burgerlijken oorlog ingewikkeld. Bijzonder zijn de Hooglanders, die in het hooge en uife'ftrekte gebergte Atlas woonen , en welke Eliuzu heeten en zwarten zijn , zeer muitzuchtige onderdaanen. — Het valt den Keizer ook bijzonder moeilijk, dezelven tot reden en gehoorzaamheid te brengen; vermits zij zich, zoo ras zij voor eenen aanval beducht zijn, en toebereidzeis daar toe zien maaken, op bijkans ontoeganglijke bergen begeeven, en aldaar verfchuilen, zoo dat zij genoegzaam niet te naderen zijn. — Intusfchen is het onlangs den Keizer gelukt, hen in de vlakten van Cbufi, terwijl zij juist met den graanoogst bezig en ongewapend waren, te overrompelen, en een groot aantal van dezelven gevangen te neemen. — Het eerste.gerucht, welk zich op den dag onzer aankomst in Tanger daar van verfpreidde, behelsde, dat de Keizer twee duizend van die ongelukkigen had laaten onthoofden. Doch tegens den avond werd het getal der geenen, die met den dood geftraft waren, tot vijfhonderd verminderd, en dit laatfte bericht weid ook door den Gouverneur van Tanger voor de waarheid verzekerd. t. ...

In dit Keizerrijk hebben geftaadige Volks-yerhuizingen plaats. — Wanneer de Keizer vreest, dat de Inwooners van eene zekere Provincie of Landftreek , al te rijk en vermogend zullen worden, neemt hij hunne bezittingen tot zich, en wijst hun andere woonplaatfen aan, fchenkende ondertusfchen de landerijen en huizen der verplante Inwooneren, aan anderen zijner onderdaanen. — Hier van daan komt het, 't geen toch in den eersten opflag Q 3

Sluiten