is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe Nederlandsche bibliotheek, waar in beoordeelingen en berichten van verscheidene boeken en kleindere geschriften benevens eenige mengelstukken, worden opgegeeven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Marcus Tullius Cicero. 17$.

'èèez'e gelegenheid hield Cicero zijnedankzeggings-redenvoering aan het volk. — Zulks was eene gewenschte aanleiding voor Pompejus , om midden in den vrede niet tninder dan voortijds, in den oorlog tegen de zeerovers zijtoe magt in alle Provintien van het Roomfche Rijk uit te breiden; dé gunst van het volk, door dit middel, tot zijnen wil te hebben , en derhalve de onderneemingen van de dagelijks aa'ng'roeijende magt van Caesar te keer te gaan.— Elk, die kort te vooren daar tegen gewéést was, zeide nü 'ja daar toe , na dat het eens in den Raad beflooten was.

Hier door bewees Cicero zijne dankbaarheid jegens P o mpejus, welke de voornaamfte oorzaak en bewerker van zijne te rug beroeping geweest was; ook was de verzoening met denzelven nu van zijnen kant des te volkomener, wijl bij hem als den allerbekwaamften perfoon aanzag, om de Republiek, den Raad, en het volk, tegen andere verre uitziende aanflageh, in een evenwigt en voortduurende vrijheid, zoo veel als in de tot den grond verdorvene tijden mogelijk was, te verlengen en te onderhouden.

Alle dingen beftaan in eene zekere maat, en zoo lang de ïlaats voorzigtigheid deeze regt weet te treffen , ftaat alles wel met he: algemeen beftier. Wat de Raad op het voorRel van Cicero aan Pompejus had toegeftaan , was goed, ja noodwendig naar de gefteldheid van tijden. Het was alles wat hij begeeren konde en zoo veel- als de Republiek toenmaals diende. Doch wanneer onverftandige lieden zich mede in eene tedere zaak mengen, en door hun ingebeeld vernuft of andere oogmerken, het nog re'er maaken willen , wordt het fpreekwoord waar, vtele Kok ken bederven bet konkfel.

De Wijkmeester Caj. Mescinius, die rot de voorgaande volmagt van PomPkjus nog eene andere voegde, fiaamelijk, dat men hem, in deeze vijf jaaren, nog bovendien alle openbaare inkomften, ja een leger van zekere legioenen aanvertrouwen zemde, bedorf den geheelen handel^ en wierp zoo veel gewigt m de eene fchaal, dat de geheele 'Republiek daar door te gronde gezonken is. — Cicero was toenmaals kwaalijk te vreede; noemde her ook een onverdraaglijk befluit, welk kwaade gevolgen zoude hebben.— Maar het onfluimig volk en hunne heethoofdige Wijkmeester waren fterker dan een verftandige overflag (V),

Boven-

■00 Cicero Epist. 1. lib. IV ad Atticum.

M 2