Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Si M A C 15 E T Ü,

Ti eert gevloekte hoop in myne ziel ontdaan,

Die 'thair, nog klam van zweet, my deed ten berge itaari.

Zo vcrr' nog van den troon... hoe nog daartoe te komen!. *.

Ik durfde eert wreed Aanftaand* niet inzien zonder fchroö-

In't einde ,in myn bedryf en reinefchuldloosheid, (uien*

Vond myne kiefche deugd een weinig zich gevleid,

Om 't geen verleiden kah piigtrrtatig af te keeren.

'k Zocht in my all' wat diende om ondeugd af te weeren.

De rust herleefde ihmy op 't eigende oogenblik: (fchrik ;

Myn hand, die walglykfcheen, daar 't hart kromp door den

Greep toen een bloedend iyk, met rilling in zyn leden;...

Ik was 't, die in de nacht, niet wagchelende fchreden,

Onzeker fpoedend' naar een duister ledikant,

Een* weerlooz' grysaart 't daal had in de borst geplant*

ZEVENDE T O O N E E L.

macbeth, fredegonde, séton* s é t o n.

IV^ynheer! de koning komt, ontbloot van praal en wachten.-

macbeth, verblektnde, en ter zyde. „óHemel! welkeen angst! wat maaldroom van gedachten!"..

séton.

Gy zult hem zien.

frïdegonde, ter zyde, met vervoering en blydfclwp.

„ Zoras!"

sé-

Sluiten