Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«34 Bé Medevrijer in Schijn.

kafteel zig altijd ophoudt, het hof-leven haat, en welke zig, om't een of ander ongenoegen, heeft afgezonderd bij'tlevenvan wijlen den vorigen koning, en nu federt dertien of veertien jaren niet eens weder aan het Hof verfchenen is; bij gevolg noch hij noch zijne dogter ken, den uin perfoon, ene twede omftandigheid, welke u des te aangenamer moeit zijn, wanneer gij n herinnert mij dikwils gezegd te hebben, dat, indien gij ooit verliefd werdt, gij dan wel wenfchte dat uw hoge rang onbekend ware aan het voorwerp uwer liefde. de Koning, Ik fta je toe, mijn waarde Frederik, dat ik tot hier toe reden heb van wel te vreden te zijn. Ik verbergdo voorDonFrederikenvoorzijnedogter, wie ik was; ik had uw naam aangenomen. Ik moeit, om weder hier te komen, zulks doen buiten weten van het hof, dat altijd in ongeruftheid en nieuwsgierigheid leeft. ' Gij verfchafte mij daartoe de middelen op ene gemakke lijke wijze. Ik heb ook dikwils Leonore wedergezien zij heeft mij toegeftemd, dat zij mij beminde; ik heb

haar ten huwelijk gevraagd aan haren vader

Don Frederik. Het is dus aan beiden niet meêr onbekend, dat gij de koning zijt ? '. F:

de Koning. Zij denken altijd dat ik Don Frederik ben. Uwe geboorte, uw rijkdom, en dedieniten, welke gij gedaan hebt, om niet te fpreken van de vriendfchap, welke fantlch Arragon weet, dat ik voor u heb, maken, dat gij

een.

Sluiten