is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine dichterlyke handschriften. Eerste(-twintigste) schakeering.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S2 MINNEKOUT,

D. Kon 't boschje maar klappen, daar 'kDoris laatst zag.

P. Wat zou het dan zeggen? gij maakt, dat ik lach.

D. 't Zou zeggen: Hier fchonk Philis Doris een' zoen.

P. Wel, is dan het vrijen met zoenen te doen?

D. Heeft Doris die lintjes voor u niet befleld ?

P. Neen, Damon, ik kocht ze van Chloris om geld.

D. Hij heeft toch dat roosje op uw' boezem gedrukt?

P. Neen, Damon, 'k heb zelve 't van 't boompje geplukt.

D. Heeft Doris niet voor u dat tuiltje bereid?

P. Neen , Damon , dat heeft voor mij Cloris gebreid.

D. Gij zoekt mij te doeken, gij mint Doris toch.

P. En zou ik dan veinzen ? Ik haat het bedrog.

D. Maar 't veinzen is eigen aan meisjes, als gij.

P. Ik dank voor die loffpraak ; ze past niet op mij.

D. Zult gij dan uw jongheid zo eenzaam befteên?

P. Ik ben in mijn jongheid met eenzaam te vreén.

D. Maar ach, lieve Philis ! het paren is zoet.

P. Maar ach, lieve Damon ! 't alleenzijn is goed.

D. Wat fchenkt het alleenzijn? niets toch, dan verdriet.

P. Is 't alles dan blijdfehap , 'tgeen 't huvvlijk ons biedt?

D. Ja, Philis, 't fchenkt lachjes, 't vervrolijkt ons hart.

P. Neen, Damon, 't baart klagtjes, het teelt niet dan fmart.

D. Maar, Philis , had zoo ook uw moeder gedacht?

P. Mijn moeder heeft ook eerst het paren veracht.

D. En