Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C «5* )

War ook des Hemels wil omtrent myn lot befchikke,

De Algoedheid waak" voor hem, en niets datmy verfchrikke.

Moest ik, Almogend Heer van Hemel en van Aard, U wetten ftellen , ik, uw minfle gunft onwaard! Neen, de onderworpenheid der harten die u vreezen, Wraakt zulk een.ftout beding; zy moet volkomen weezen. Met recht heeft uwe wraak geblikfemd op myn hoofd, En d'afgod myner ziel aan myne liefde ontroofd. Herroept gy u , misleide en al te dierbre Zoonen, Welk fchouwfpel ge aan het oog iiws Vaders dorst vertoonen t Het laatde gunstgefchenk van myne tederheid, Verfcheurd, met bloed befmet ,voor my ten toon gefpreid... t Herkende ik't niet, dat kleed, waar meê dees hand hem cierde Toen ik de laatite maal dea Jonglings feestdag vierdeI Toen de eedle en kuifche zwier van zyn bevalligheên, Elks aandacht naar zich trok, my zoo bekoorlyk fcheen f Ach! gy misleidt my nog, gy opent al myn wonden. Waar toe myn ziel gevleid ! myn Jofeph is verflonden. Zag ik 't getuignis niet dat al myn hoop verbant! Een fchifdier heeft myn kind, myn* Jofeph aangerand,

Zyn

Sluiten