is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechtsgeding van Lodewyk den Zestienden, geweezenen koning der Franschen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44* GEV OELEN

Volk kan niet zeggen tegen een byzonder per-

hei^nV/™ '? T ,ang °f ™ waioS lied zy nood'g oordeeJc hem te verheffen- Ik bekleed u met het recht, om alle misdaaden te nogen pleegen. Gy kunt, ongeSonze hüfeen verbranden , onze velden verwoesïn onze vrouwen en kinderen vermoorden!eS

TfVlah hïenSen> of' ^ nog erger ?s dn de dood, gy kuur ons van onze vryheidberoo" ven en ons zo wel totde hardde alsfchandlvkfte flaaverny doemen, en wy zullen de hand 2genen , die ons flaan zal, en, met eene godsdienflige onderwerping, den yzeren fclfept r kusfen, onder welken wy gedwongen zullen weezen, onze hoofden te bukken. -öEen Volk heeft wel zyne Magiftraatsperfoonen kunnen omringen met die waardigheid, welke eerbied inboezemt, en die ten voordeele der Wet ver«rekt, door de gehoorzaamheid, welke zv inboezemt; maar het heeft hun geen recht kunnen geeven, waar tegen de rechtvaardigheid zi> verzet, om dat het Volk niet heeft kunnen lillen af™ .van zvn geluk, en om dat de Volken niet gelukkig zyn dan door de in achtneeming van het natuurlyk recht, dat niet andersis, dan de rechtvaardigheid zelf. Indien derhalven, door onwcetenheid of door verrasfching, een Volk dergclvk een gift gedaan had, dan zou het recht hebben, om dezelve weder te eisfchcn, op het oogenblik dat het zyne dwaaling erkennen zou, en de Dwingland, met wanbedryven bezoedeld zou 'er niet minder ftrafhaar om weezen, van de dwaasheid gehad te hebben, van te gelooven dat zyn tytel hem buiten fchoots der ftraf ftelde*

Deer